Destijds moest ik buiten blijven staan.

“Papa, wat is dat, een café?’

Mijn geschiedenis met Bos begint in 1950 of 1951. Ik was zes of zeven jaar. Het was in ieder geval het jaar dat Piet van Heusden Nederlands kampioen wielrennen op de baan werd in het Olympisch Stadion. Dat maakte grote indruk op mij omdat mijn achternaam hetzelfde was. (Ik fantaseerde dat het mijn oom was; mijn moeder lachte erom)

Thuis was het hele voorjaar uitgekeken naar Vlaggetjesdag. Naar de zaterdag daarna, want dan werd de eerste nieuwe haring gekocht. Groene haring was dat. Mijn vader haalde ieder jaar de eerste nieuwe – groene – haring bij het Haarlemmermeerstation. Dat jaar mocht in voor het eerst mee.

We woonden in Zuid. In de winterdijkstraat. Rivierenbuurt. De tocht bracht ons via de Lekstraat , de Waalstraat en dan linksaf de Churchill-laan af rijden tot de brug over de boerenwetering. De brug over en langs de Apollohal en links aan de overkant het indrukwekkende gebouw van de Sociale Verzekering Bank.

Het was stralend Hollands voorjaarsweer. Ik zat achterop, mijn voeten bungelde vrij in de lucht. Ik zie nog hoe het overhemd van mijn vader opbolde in de wind. Zijn overhemd was gemaakt van een speciale stof. Het veranderde steeds in het licht. Ik vond het prachtig en voorzichtig legde ik mijn wang er tegenaan, zonder dat mijn vader het merkte.

Bij de kraam gekomen, kocht mijn vader eerst twee haringen voor ons beiden. Met een plakje zuur erbij. Dat vond ik heerlijk. De haring op een kartonnetje. Een plakje zuur er naast. Ik verslond de mijne. Mijn vader deed er veel langer over. Ik zie hem nog bedachtzaam proeven.

 Foto (bron Google)

“Als je goed proeft,” leerde hij mij, “dan proef je de zee.” Ik proefde… en proefde de zee. Ik keek trots omhoog naar mijn vader. “Ik proef de zee, papa.” Toen de haring op was en mijn vader het kartonnen schaaltje in de prullenbak had gegooid, liet mijn vader 4 haringen inpakken voor thuis. Hij betaalde met een verfromfraaid blauwig biljet van twee en een halve gulden. Het wisselgeld liet hij in zijn broekzak glijden. Hij pakte de fiets, een hand aan het stuur en in de andere nam hij mijn hand. Zo staken we de straat over, recht op de poort van het Huis van Bewaring af. Dan naar rechts richting de Amstelveenseweg. Linksaf en langs de zijkant van het Huis van Bewaring. Op de hoek wachtten we voor tram 16, die vanaf de Amstelveenseweg de vaartstraat in kwam rijden.

 Foto Eigendom 

Mijn vader hield halt aan de overkant van de straat bij het café op de hoek. Ik had net leren lezen en spelde de naam boven de deur: c-a-f-é  L-oo-s. “Pap wat is dat, een café?’ Ik kreeg geen antwoord. Mijn vader liet mijn hand los en zette zijn fiets op slot, zei mij te blijven staan en verdween naar binnen.

Mijn vader liet mijn hand los en zette zijn fiets op slot, zei mij te blijven staan en verdween naar binnen. De deur bleef op een kier open staan. Ik gluurde naar binnen. Ik zag drie mannen aan een tafel zitten en een grote kerel achter de toonbank die mijn vader joviaal begroette; alsof ze elkaar al jaren kenden. Mijn vader bestelde:  “Een pils alsjeblieft?” “En, mag ik er een jonge klare bij?” “Haring gehaald?”  “Ja.”  “Vis moet zwemmen,” hoorde ik de grote man die achter de toonbank stond zeggen. Voor mij bestelde mijn vader een kogelflesje spuitwater. “Buiten blijven,” klonk het, “En sta niet zo naar binnen te gluren.” Er klonk gemompel van de oude mannen aan het tafeltje. “Je bent wel streng, hoor, meneer!” hoorde ik zeggen. Even later mocht ik toch in de deuropening staan. Voor de drempel. Het lege flesje mocht ik houden. De glazen kogel rinkelde in de nauwte van de flessenhals.

Lachend en praten met de kastelein dronk mijn vader beide glazen leeg. Hij veegde zijn lippen af door met duim en wijsvinger over zijn mond te wrijven en vroeg: “Wat is de schade? Loos?” Er werd door iedereen luid gelachen. Ik begreep niet waarom.

Dit tafereel zou de komende jaren steeds ongeveer gelijk blijven. Er werd door mijn vader ook steeds weer dezelfde vraag gesteld en er werd steeds weer even smakelijk om gelachen. Ik heb mijn vader er ooit eens naar gevraagd. “Daar kom je zelf wel achter. Let maar goed op en denk goed na!”

Mijn vader betaalde, liep naar de deur, lichtte zijn hoed een stukje van zijn hoofd en groette: “Goedemiddag heren.” Buiten hees hij mij weer achterop. We fietsten om het Haarlemmermeerplein heen en gingen rechtsaf de Bernard Kochstraat in. Mij vader keerde zijn hoofd naar mij toe en zei dringend: “Niets tegen mama zeggen hoor.”

 Foto (bron Google)

En even later op de brug naar de marathonweg: “Waar je geweest bent!” Voortaan gingen mijn vader en ik elk jaar weer. Mannen onder elkaar. Ik en mijn vader. In 1956 kwam een onverwacht einde aan onze jaarlijkse geheime tussenstop

We hadden haring gekocht en ik verheugde me al op de volgende etappe van onze tocht. Maar voor de kraam stapte mijn vader al op zijn fiets. Ik bleef naast de fiets staan. Mijn vader deed zijn arm opzij zodat ik op de stang van de fiets  kon gaan zitten. Ik vroeg niets. Hij zou toch niets zeggen. Mijn vader sloeg linksaf naar de vlietstraat en dan over de Schinkelkade rechtsaf de zeilstraat in. Ik begreep er niets van. Wachtend voor het stoplicht op de hoek van de Amstelveenseweg zei mijn vader ineens zacht in mijn oor: “Ik ga daar niet meer heen. Er is een nieuwe kastelein.”

Eenmaal op gang gekomen op de Amstelveenseweg fluisterend in mijn oor: “Kijk, er staat een andere naam op het raam.” Ik las hardop: “café Bos.” “Juist”, mokte mijn vader. Hij ging op de pedalen staan en maakte vaart.

 Foto eigendom

Een gedachte over “”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *